Vijf weken geleden besliste mijn werkgever dat iedereen die enigszins thuis kon werken via telewerk moest werken.
Sindsdien werk ik dus thuis, mijn vrouw volgde enkele dagen later ook, toen de lockdown een feit werd. Ons huis is redelijk open, mijn bureau maakt deel uit van het woongedeelte. Maar een goede hoofdtelefoon en mijn Spotify-playlist zorgen dat ik rustig en geconcentreerd kan werken.
Ik ben niet zo lang geleden van functie veranderd en ben nu voornamelijk bezig met analyses en projecten. Analyses die ik al langer wilde doen, maar die niet altijd lukten op kantoor – omdat je er eigenlijk zonder oponthoud een volle dag (of meer) ongestoord moet kunnen aan doorwerken – kan ik nu ongestoord afwerken. Zonder een telefoon of een collega die me stoort met een dringend probleem. En wanneer je toch een collega moet spreken, zijn die vlot via een videogesprek te bereiken.
Als koffiepauze zet ik me even op het terras, met een glas water. En na de lunch wandel ik even door de tuin.
Maar het is toch een heuse verandering.
Want uiteindelijk mis je de gesprekken met collega’s tijdens de middag en door de isolatie van die collega’s krijg je ook wat tunnelzicht.
Maar er zijn nog meer veranderingen.
Vanaf deze week ben ik ook één dag per week ‘Werkloos door overmacht’, om de vaste kosten van mijn werkgever onder controle te houden. Ik werk nu dus nog 4 dagen op 5.
Ik probeer me niet teveel zorgen te maken. Want zorgen maken, daar los je geen problemen mee op. Je slaapt er hooguit wat minder goed van, en stress is sowieso geen goede bondgenoot. Dus probeer ik zoveel mogelijk te leven volgens een ‘carpe diem’ principe en alle zorgen gewoon te verbannen. Dat lukt me de ene dag al beter dan de andere. Op ons fruitberg-eiland, afgezonderd van de grote boze wereld.
Maar zelfs met dat besef mis ik nog steeds het rechtstreeks contact met vrienden, familie en collega’s.
Ik heb verder niet zoveel moeite met het ‘Blijf in Uw Kot’-advies. Ik heb in het verleden ook nooit moeite gehad om een week-end niets te doen of een week-end in de tuin te werken. Ik heb nu extra tijd om in de tuin de achterstand in te halen, en dat lukt me aardig.
En ik besef dat ik in een comfortabele situatie zit, ik woon in een ruim huis met grote tuin en twee volwassen kinderen, zonder financiële kopzorgen. Vervelen kan ik me niet hier, werk genoeg in de tuin.
Maar ik besef dat dat niet voor iedereen zo is.
Ik kan me voorstellen dat deze periode voor ouders met jonge kinderen in een appartement een heuse opgave is. Of voor mensen met financiële kopzorgen. Om nog maar te zwijgen over de mensen die in krottenwijken wonen waar er ook ‘Stay – at – home’ maatregels afgekondigd worden. Of voor de mensen die onder normale omstandigheden al moeite hebben om hun kinderen van eten voorzien, en nu zonder werk vallen omdat de consumptie in het Westen stilvalt…
Ik denk ook aan alle dokters die door een gebrek aan capaciteit moeten kiezen welke patiënt opgenomen wordt, en welke niet (daar blijven we hier in België gelukkig van gespaard). Aan de verzorgers in woonzorgcentra, die zonder middelen en begeleiding aan een ongelijke strijd zijn begonnen. Aan mensen die in alle eenzaamheid sterven. Aan de achterblijvers die geen eens fatsoenlijk afscheid kunnen nemen.
En dan denk ik weeral, ik moet gewoon dankbaar zijn.
En dus probeer ik gewoon positief te blijven, want ik heb eigenlijk geen recht tot klagen, tegenover zoveel andere mensen. En vooral te denken aan alles wat ik nog heb: tot nu stelt iedereen in de familie het goed, net zoals bij de vrienden.
En ooit komt hier een einde aan.