Overschot

Ondertussen is heel wat stekgoed aangeplant. Bij de laatste wijzigingen in de tuin heb ik twee redelijk grote ‘blokken’ Salvia candelabrum en Scutellaria tournefortii aangeplant. Dat was redelijk jong plantgoed dat ondertussen wel flink gegroeid is, maar waarbij er het eerste jaar toch wel wat extra risico is op vorstschade. De plantjes op de foto hierboven blijven dus nog enkele maanden op de reservebank zitten, om zo planten die het niet halen te vervangen. Indien ze volgend jaar niet kunnen ‘invallen’ kan ik er enkele tuinvrienden blij mee maken.

Op enkele planten na de ik nog wat probeer te vermeerderen via zaad, is het vermeerderen nu wel voorbij. Ik heb wel nog enkele stekken ‘geoogst’ van enkele planten om die met zekerheid te doen overwinteren.

Ik had hier enkele weken geleden verteld over de planten die ik vlak voor de hittegolf in augustus verplant heb. Zoals je op de foto hieronder kan zien hebben die het zonder problemen gered (op de foto zie je nu wel maar één van de verplaatste planten…).

En nog een update, de rolklaver in pot is nu flink aan ’t groeien, ik had aangegeven dat rolklaver ook een waardplant was van heel wat vlinders, en deze rups van de kleine hageheld vertoeft doet zich nu te goed aan het blad van de plant en bewijst zo mijn gelijk.

Lepechinia hastata

Deze stond helemaal bovenaan mijn aankooplijst toen ik de eerste keer naar de Hessenhof reed. Toen ik de plant niet vond in het aangegeven plantenbed (minstens 3x alle planten in dat bed gecontroleerd), heb ik ook de bedden ernaast nog geïnspecteerd. Toen nog twee andere bezoekers van de kwekerij me aanspraken of ik die plant niet had gezien, wist ik dat verder zoeken geen zin meer had.

Bij mijn tweede bezoek had ik meer geluk, en nam ik twee exemplaren mee. De plant wordt op zich vrij fors (120 cm). Hij heeft mooie, grijsgroene, brede bladeren en een aparte bloemkleur (aubergine).

Wanneer de eerste bloemen verschijnen (foto’s hierboven, einde juli-begin augustus), lijkt de bloei zeer bescheiden. Maar uit okselscheuten van de bloemknoppen komen steeds weer nieuwe bloemen te voorschijn, zodat de bloemaar steeds groter en breder wordt.

De bladeren van de plant hebben een eigenaardige geur, die ik niet direct kan thuis brengen maar die volgens velen wat weg heeft van schoensmeer.

Lepechinia behoort tot het genus Lamiaceae, de lipbloemigen, net zoals de nauwverwante Salvia. Deze plant komt oorspronkelijk uit California, maar zou toch redelijk winterhard zijn en alleen wat moeten afgedekt worden in zeer strenge winters.

Ik heb eigenlijk behoorlijk lang gedacht dat deze het niet zou doen in de tuin. De plant is pas vrij laat beginnen groeien. Maar van dan af ging het echt heel snel.

Versleten

Deze gehakkelde aurelia is wat extra verhakkeld. Ik zie dit soort gehavende vlinders wel vaker, het zijn beestjes die wat langer hebben geleefd dan de gemiddelde vlinder, maar deze is waarschijnlijk echt wel aan ’t einde van zijn loopbaan nu. Ooit heeft hij/zag hij eruit zoals de exemplaren hieronder.

De wetenschappelijke naam van deze vlinder is Polygonia c-album, en in ’t Engels noemen ze deze de comma, op de foto hieronder is die witte C / komma duidelijk zichtbaar.

Nog geen herfst

Met het weer van de voorbije twee weken zat ik met de idee dat we toch aan het einde van dit tuinseizoen zaten. Sommige planten staan er nog altijd wat verschroeid bij door de hittegolf van augustus en te gelijkertijd houden ook heel wat bloemen het voor bekeken voor dit jaar.

Landkaartje

Ook qua ‘leven in de tuin’ zie je niet alleen een deel van de hommels verdwijnen, ook de meeste solitaire bijen verdwijnen uit het zicht. Zeker wanneer het zo nat en fris is als de voorbije week

Gehakkelde aurelia

Maar, zo bedacht ik me eergisteren, het seizoen is verre van gedaan, er zijn nog heel wat planten die moeten starten met bloeien (een start die wat uitgesteld lijkt door die koudere periode): niet alleen een reeks herfstasters, maar ook nog Caryopteris, Strobilanthes, Rabdosia en enkele laatbloeiende Vernonia. Bovendien er toch staat ook nog behoorlijk wat in bloei: Calamintha, Nepeta, Helenium, Rosa, Sedum, Salvia’s, Scutellaria, Indigofera, Lespedeza, Lepuchina, Geranium, Chelone,…

Caryopteris divaraticus, een vaste plant die een beetje weg heeft van Springbalsemien. Het blad heeft een onaangename geur

Toen de zon zich deze week voor het eerst in enkele dagen nog eens liet zien, verschenen er direct terug heel wat vlinders. Ik zag Gehakkelde Aurelia, Dagpauwoog, Atalanta, Koolwitje, Boomblauwtje, Kaasjeskruiddikkopje, Landkaartje en de Meekrabvlinder.

Deze Scutellaria doet het uitstekend

Verder is september ook de maand van de klimopzijdebij, een solitaire bij die je vooral op klimop ziet foerageren. Ik heb hier een vrij grote populatie van de beestjes zitten (ik schat dat er nu een 50-tal in de tuin rondvliegen). Omdat de klimop nog maar pas in bloei komt, doen de die beestjes zich nu te goed aan de nectar in de nectartuin.

Klimopzijdebij op Nepeta calamintha

Er is dus eerst nog wat vuurwerk in de tuin voor het grote vuurwerk (de herfstverkleuringen) van de partij zijn.

Helenium ‘Westerstede in de (bijna) herfstzon

Asters

Nog even twee andere asters voorstellen. Toen ik het ontwerp van de voortuin overdeed, zocht ik voor dat stukje tuin planten die tot diep in de herfst bloeien. Bij mijn zoektocht kwam ik onder meer uit op Aster frikartii x Mönch en Aster thomsonii die van juli tot oktober zouden bloeien.

Aster x frikartii “Mönch” is nauw verwant aan Aster thomsonii (het is een kruising van Aster amellus x Aster thomsonii, gekweekt door de Zwitser Frikart, in het begin van de twintigste eeuw).

A. thomsonii, een “beetje” omgewaaid met nog heel wat nieuwe bloemscheuten….

Aster frikartii x Mönch startte hier begin juli met bloeien, Aster thomsonii wat later. De planten vormen nog volop nieuwe bloemscheuten en groeien ook erg gezond: ze hebben absoluut geen last van meeldauw.

De bloemen zijn qua grootte vergelijkbaar met die van een margriet. Boven op de foto enkele van de asters hier in bloei, van klein naar groot, om aan te geven hoe groot die bloemen zijn: Aster laterifloris ‘Lady in Black’, Aster umbellatus ‘Weisser schirm’, Aster laterifloris ‘Chloë’, Aster pyrenaeus ‘Lutetia’, Aster amellus ‘Dr.Otto Petschek’, Aster frikartii x Mönch en Aster thomsonii. Nog een extra referentiepunt : Aster Chloë is qua bloemgrootte vergelijkbaar met een madeliefje.

A x frikarti “Mönch”. ook nog niet uitgebloeid en ook omgewaaid (maar niet zichtbaar op deze foto)

Er is wel één ding dat beide asters gemeen lijken te hebben: ze hebben wat steun nodig… Want ook al groeien ze niet echt hoog (60-70 cm), bij regen en harde wind gaan ze toch doorhangen. Iets om voor volgend jaar te onthouden.

Geen fijnstraal

Vanop afstand (en voor hij in bloei komt) heeft deze Aster umbellatus ‘Weisser Schirm’ wel wat weg van Canadese fijnstraal, een zeer invasief ‘onkruid’ dat, zoals de naam doet vernoemen, afkomstig is uit Noord-Amerika. Fijnstraal is hier in de tuin een kruid dat echt overal opduikt. Dat doet hij in de Verenigde Staten op akkers nog veel meer want dit was de eerste plant die resistentie tegen glyfosaat ontwikkelde.

Maar wanneer Aster umbellatus ‘Weisser Schirm’ in bloei komt is hij toch veel mooier. En hij lijkt zich ook niet uit te zaaien. Bovendien is het één van die Asters die absoluut geen last heeft van meeldauw en mooi donkergroen blad heeft. De plant staat al sinds begin augustus in bloei, en is duidelijk nog niet zinnens om te stoppen…

Onkruid

Dit zijn de bloemetjes van Lotus corniculatus, de gewone rolklaver. Wanneer je de planten die we ‘onkruid’ noemen van wat dichter bekijkt, kom je toch dikwijls tot de conclusie dat onkruid vaak erg mooi is

Deze is niet spontaan in mijn tuin opgekomen, maar ben ik zelf gaan oogsten in de bermen wat verderop. Hij staat nu in een pot op het terras, en met de zaaddozen van deze plant probeer ik in het gazon nog wat plekken met rolklaver te bekomen.

Het andere ‘onkruidje’ in deze reeks, het vlasbekje (Linaria vulgaris), is wel spontaan in mijn tuin opgekomen, en is ook absoluut een welkome gast.

Duivenpinnen

Eerst even melden dat het portaal waar ik mijn foto’s op plaats technische problemen kent. Je ziet op dit ogenblik daarom alleen de eerste foto (die integreer ik in WordPress), de andere foto’s dus niet.

Maar dus even over duivenpinnen. Eén van onze buren is duivenmelker. Dat wil zeggen dat er hier heel wat hangduiven zijn. Tot vorig jaar was de nok van ons dak hun favoriete plekje. Er zaten vaak een twintigtal duiven op ons dak.

An sich helemaal geen probleem, maar ze gebruikten ook het plat dak van de aanbouw om zich te wassen, en zoveel duiven, dat kakt wat bij mekaar. Zoveel dat ik wel eens – tijdens een regenbui – de duivenkak die de afloop blokkeerde mocht gaan verwijderen.

Het water dat bleef staan op het plat dak werd ook verzadigd met nitraten en fosfaten en kwam bij de volgende regenbui in de waterputten terecht. Niet ideaal.

De dakwerker stelde me voor om duivenpinnen op de nok van het nieuwe dak te plaatsen. Ik was nogal sceptisch over de werking ervan, maar sindsdien zien we geen enkele duif meer op ons dak. Om één of andere gekke reden landen ze ook niet meer op ons plat dak… Die dingen werken dus perfect.

Leven op Helenium

Volgens waarnemingen is de Kleine Vuurvlinder een algemene vlinder, maar ik zie hem hier heel uitzonderlijk. Dit is de twee waarneming van deze vlinder in de tuin.

Deze zag ik op Helenium foerageren. Helenium wordt, net zoals Echinacea, vaak omschreven als een goede drachtplant voor insecten. Echinacea vind ik zelf behoorlijk tegenvallen. Ze worden wel eens bevlogen door een hommel of een vlinder, maar er staan hier heel wat tuinplanten die vele malen populairder zijn (Eupatorium, Aster, Salvia, Nepeta, Rosa, …).

Helenium is op dat vlak veel beter. Ook qua diversiteit. Helenium is een gele composietbloemige, en er zijn aardig wat solitaire bijen die een voorkeur hebben voor gele composietbloemigen. Ik zie hier dan ook veel meer diversiteit op de Heleniums foerageren.

Een mannetje van een Berijpte of Gewone geurgroefbij.

De breedbandgroefbij, eentje die ik zowat heel het jaar door waarneem in de tuin.

Een mannetje van een kegelbij, vermoedelijk de gewone kegelbij. Dit is een parasiet op behangersbijen (die hier veelvuldig voorkomen in de tuin).

Dit zou een mannetje grasbij zijn.

Deze laatste is een zeer trouwe bezoeker van de Heleniums, heel de zomer door. Eéntje waarvan ik soms tientallen op één groep bloemen zie foerageren, de tronkenbij.

Deze serie van solitaire bijen geeft ook nog eens duidelijk aan dat je geen insectenhotels nodig hebt om solitaire bijen in je tuin te zien. Van deze dieren nest ga je alleen de tronkenbij en onrechtstreeks de kegelbij lokken met een insectenhotel. De andere bijen broeden in de grond.