Wat staat er nu nog in bloei?

We zijn bijna in november, en ook al sprak in van de weeg over de herfst, er staat eigenlijk nog behoorlijk wat in bloei. Zo staan de meeste asters er nog behoorlijk fris bij. Veel insecten zie ik niet meer in de tuin, nog enkele zweefvliegen, enkele vlinders en wat honingbijen

Boven : Aster turbinellus beleeft nu zijn hoogtepunt qua bloei.

A nova-angliae ‘Pink’s barr”
Aster x frikartii x Mönch staat hier ondertussen al meer dan vier maanden in bloei . Ze blijft ook nog steeds bloemknoppen aanmaken
Aster ‘Chloë” met nog een verdwaalde gehakkelde aurelia
Anemona ‘Wild swan’ bloeit sinds mei
Nog enkele bloemen om de jonge stekken van Scuttelaria tournefortii
Nepeta ‘Walker’s Low’ staat ook al vijf maanden in bloei, ondertussen wat minder uitbundig, de plant was de voorbije maand het favoriete stekje voor hommelkoninginnen
Salvia x greggii ‘Blue Note’ staat ook al maanden in bloei. De planten staan ondertussen 4 jaar in de tuin.
Nadat een eerdere poging mislukte probeer ik nogmaals Salvia guaranitica ‘Black & Blue’ te laten overwinteren in de tuin
Strobilanthes rankanesis. Dit zijn jonge stekken van dit jaar. Dit is wat mij betreft de makkelijkst te stekken plant. De plant is qua standplaats ook helemaal niet kieskeurig.
Deze kocht ik als Helenium ‘Küpferziegel’. Ik denk niet dat ik de juiste plant kreeg, maar wat mij geleverd werd is in ieder geval een geweldige Helenium die nu al enkele maanden zonder oponthoud blijft bloeien
Rudbeckia ‘Herbstsonne’
Zelfs de Passieflora blijft nog bescheiden bloeien
Heptacodium mincoïdes was een boom die de voorbije jaren heel kort bloeide. Dit jaar staat hij al meer dan twee maanden in bloei.

Insectenhotel… nummer twee

Ik schreef vorige week al over een eerste nieuw insectenhotel dat af was. Maar er zijn er nog in aanbouw. Dit tweede hotel staat in de nectartuin en heeft een iets opvallender kleurtje gekregen. Dit is wel een aanzienlijk kleiner exemplaar, waarin ik redelijk veel plaats voorzie voor klokjesbijen, tronkenbijen en maskerbijen door veel rietstengels te gebruiken. Deze kleine solitaire bijen zijn niet zo mobiel, en zoeken nestgelegenheid in de nabijheid van de drachtplanten die ze bezoeken.

En ja, er is één vak niet ingevuld. Dat is een bewuste keuze. Zoals al eerder gezegd gaan zo’n lege stengels niet zo heel lang mee. Dat vakje vul ik pas volgend jaar.

Ook hier gebruik ik blokken robiniahout maar vooral uit holle stengels. Het nestmateriaal dat ik ophang heeft broedgangen van 2-12 mm. Als holle plantenstengels gebruik ik Phragmites communis (riet), Miscanthis sinensis (prachtriet), bamboe (zelfgekweekte Phyllostachys aureosulcata en Pseudosasa japonica van de buren), Cephalaria grandiflora, Crepis biennis (groot streepzaad), Verbena bonariensis, Asclepias incarnata, Foeniculum vulgare (venkel) en Pastinaca sativa (pastinaak).

Nog wat extra achtergrondinformatie. Je lokt met insectenhotels maar een beperkt aandeel van alle solitaire bijen. De meeste solitaire bijen maken hun broedgangen in de grond, slechts 20% van de solitaire bijen nestelen in een insectenhotel (en hun koekoeksbijen).

  • Metselbijen 6-9 (-11) mm
  • Behangersbijen 6-10 mm
  • Maskerbijen 2-5 mm
  • Tronkenbij 2-5 mm
  • Wormkruidbij 6-8 mm
  • Grote wolbij 10-12 mm
  • Klokjesbijen 2-5 mm

En deze lijst is ten dele theoretisch. Ik heb in mijn insectenhotels nog nooit een nest van een behangersbij of een Grote wolbij opgemerkt. Terwijl die beestjes hier wel en masse rondvliegen…

Insectenhotels kunnen ook andere gasten lokken. Onder meer een aantal solitaire wespen die gebruik maken van de broedgangen en ook nog een hele resem dieren die parasiteren op de ‘bewoners’ van de nesten (onder andere mijten, roofvliegen, parasitaire (zweef)vliegen, sluipwespen,…). En ja, die parasieten zijn hier ook welkom. Zoals gezegd groeit de populatie solitaire bijen gestaag in de tuin, dus de druk van die parasieten is niet van die aard dat ze de populatie echt beschadigen.

Indien je zelf ook een insectenhotel wil maken, weet dan dat een hotel an sich weinig zin heeft, zorg ervoor dat die dieren ook voldoende nectar en stuifmeel in de buurt vinden. Zorg eerst daarvoor.

Herfst

De maand oktober is ook weer bijna geschiedenis. We zitten al volop in de herfst, maar de temperaturen blijven redelijk zacht voor de tijd van het jaar. Terwijl er nog heel wat planten in bloei staan, beginnen de bladeren op heel wat bomen toch te verkleuren.

Door het verkorten van de dagen en de koudere dagen beginnen de bomen de vaten af te sluiten die instaan voor de sapstroom tussen boom en blad. Hierdoor begint het chlorofyl in de bladeren af te breken. Dat bladgroen maakt dat de meeste bladeren een groene kleur hebben (omdat chlorofyl de lichtgolven in het groene spectrum niet absorberen en dus reflecteren). En zonder dat bladgroen zien we dus andere pigmenten.

Enkele mooie herfstinten…

Deze lagerstroemeria is de struik die de mooiste herfstverkleuring vertoont in de tuin. Ik had eigenlijk liever gehad dat hij gewoon zou bloeien.
Er zijn ook vaste planten die een mooie herfstverkleuring kennen. Deze  Lysimachia fortunei is daar een mooi voorbeeld van
Japanse esdoorn vindt een plaats in veel tuinen vanwege de herfstverkleuring. Deze (cer palmatum ‘Seiryu’ ontgoochelt niet op dat vlak
Ook sommige grassen vertonen nu een leuke, andere tint.

Insectenhotels … de start

Ondertussen is het te nat om nog veel werk te verzetten in de tuin. Tijd om me met enkele andere projectjes bezig te houden waar ik in ’t voorjaar onvoldoende tijd voor heb.

Eerst staat het vervangen van de oudste insectenhotels op het programma, want die zijn ondertussen volledig ‘op’. Nogal wiedes, ze waren gemaakt met onbehandeld hout dat ondertussen 6-7 jaar dienst heeft gedaan.

De hotels die ik nu maak zijn ‘wat’ groter, omdat de hotelbezetting de voorbije jaren zeer hoog was. De komende weken maak ik, op mijn gemak, nog twee extra van deze ‘klassieke’ insectenhotels aan, maar er staan ook enkele ‘speciale’ hotels op de planning. De ‘structuur’ van de nieuwe hotels behandel ik deze keer met een natuurlijke beits van Galtane, ééntje die die ook gebruikt wordt om bijenkorven te behandelen. Zo hoop ik de structuur toch wel wat langer te kunnen overhouden. Zoals het hoort heb ik het hotel ook van een dak voorzien.

Dit eerste hotel (45 x 90 cm) hangt in de fruittuin. In het voorjaar staan daar de fruitbomen en -struiken in bloei, een bloei die samenvalt met het hoogtepunt van de metselbijen. Rosse metselbijen nestelen in gaten van 6-8 mm, gehoornde metselbijen nestelen in gaten tot 9-11 mm. In dit insectenhotel zijn daarom een vrij groot aandeel van de gaten van deze grootte.

Het hotel is 20 cm diep. Solitaire bijen maken in een broedgang meerdere broedcellen. Het wijfje verzamelt in iedere broedcel voedsel (pollen en nectar) en deponeert dan een eitje in die cel, die ze daarna afsluit, om met een volgende cel te beginnen. Het vrouwtje legt in de achterste cellen bevruchte eitjes (wijfjes) en in de voorste broedcellen onbevruchte eitjes (mannetjes). Meestal voorziet het wijfje een atrium (lege ruimte) achter de sluitprop van de broedcel zodat sluipwespen met hun legboor niet tot in de broedcellen geraken. Maar wanneer ze daar dus wel in slagen, dan worden er vooral mannetjes opgegeten. De mannetjes zijn dus ‘cannon fodder’, de vrouwtjes zitten veilig, dieper in de gang. En hoe dieper een gang is, hoe meer bevruchte eitjes er worden afgezet…

In dit hotel gebruik ik voornamelijk Robinia als nestmateriaal. Het wordt in Europa geteeld en is het enige hout van duurzaamheidsklasse I-II dat in Europa wordt verbouwd. Het zou dus echt jaren mee moeten gaan. Ik gebruikte hier een stuk van een Robinia poortpaal (15×15 cm) en een Robinia rondhouten paal (12/14). Alles werd met de handzaag op maat gezaagd, een flink werkje.

In deze robinia boorde ik gangen van 4-12 mm diameter. Ik had hiervoor enkele slangenboren gekocht, omdat die toelaten extra diepe gaten te boren, maar dat viel dik tegen. Robinia is redelijk hard hout: één gat boren met een slangenboor duurde bijna een minuut. Ik heb nadien nog enkele lange hardhoutboren van FAMAG aangekocht, waarmee het boren echt wel vlotter verliep.

De rondhouten paal vertoont wat scheurvorming, ik heb er zoveel mogelijk rekening mee gehouden tijdens het boren van de gaten.

Nadien moesten alle blokjes hout mooi gepast worden en werden de overgebleven gaten opgevuld met lange stengels van voornamelijk Cephalaria grandiflora en Phyllostachys aureosulcata. Om in de vakken met stengels alle stengels voldoende vast te zetten, heb ik toen die vakjes al flink vol zaten nog enkele gewone takken tussen de stengels in geklopt, met een hamer, tot alle stengels echt muurvast zitten.

Ik ben de laatste twee weken zowat iedere avond twee uurtjes aan ’t knutselen geweest aan dit hotel, op mijn dooie gemak, wat prullen. Ik ben alvast tevreden van het resultaat.

Het hotel is eigenlijk nog niet af, want ik moet nog een vogelbescherming aanbrengen, zodat mezen en spechten mijn hotels niet verkeerdelijk aanzien als voedertafel in de winter.

De eerste blok Robinia heb ik tegen de draad in gezaagd. Ik heb enkele gaten voorgeboord met een klassieke houtboor, en dat zorgde voor braamvorming (die ik wegvijl met een puntvijl), hier moeten nog enkele gaten aanpakken).

Het oude nestmateriaal en de oude insectenhotels heb ik natuurlijk niet weggegooid, er zitten nog solitaire bijen in. Door die ergens in een donker hoekje, in de schaduw, te hangen geef ik de bijen de kans om nog uit te komen. Aangezien solitaire bijen warme plekken verkiezen, gaan ze niet meer terugkomen naar dat oude hotel, maar een andere nestplaats zoeken. De nieuwe hotels dus.

Insectenhotels… Is dat nu echt noodzakelijk? Ik vermoed dat de bijen ook zonder die hotels wel plekjes zouden vinden om nesten te bouwen, maar het succes van de hotels en het feit dat ik de populatie jaarlijks zie groeien, geven toch aan dat het de populatie van deze dieren ten goede lijkt te komen. En ik heb in mijn tuin ook voldoende drachtplanten staan. Door de beestjes kost en inwoon te geven, houd ik ze ook weg van de omliggende suikerbietvelden en bijhorende neo-nicotinoïden. En ik vind het op zich ook gewoon best leuk en mooi.

Warmteminnaar

Nog een hele mooie, deze Salvia azurea. Deze plant is afkomstig uit Noord-Amerika en onderscheidt zich van andere salvia door het langwerpige smalle blad, waardoor deze plant ook zonder bloemen al een waardevolle toevoeging is aan de borders. De plant zou redelijk winterhard zijn, ik heb voor de zekerheid enkele stekken genomen die ik beschut laat overwinteren.

Blad van deze Salvia

Deze is dit voorjaar aangeplant in de voortuin, waar hij de hele dag in volle zon staat, noodzakelijk voor een weelderige bloei. Het is in ieder geval een snelle groeier. Einde augustus begon deze aarzelend te bloeien, maar van zodra het kouder werd stopte die bloei. Deze heeft echt warmte nodig voor een uitbundige bloei en is een plant om ‘Indian Summers’ van extra kleur te voorzien. Nu de temperatuur weer (veel te) hoog is, begint hij terug te bloeien.

Salvia azurea wordt ongeveer 120 cm hoog, heeft graag een droge, warme plek maar en een beetje ondersteuning nodig (want hij waait nogal snel om).

Eigenlijk lijkt deze flink op Salvia uliginosa, met dat verschil dat deze bloemen een pak groter zijn en ik het blad van deze echt veel mooier vind. De S. uliginosa bloeide uitbundiger maar is hier in een natte winter gewoon verdwenen. En aangezien ik deze planten rijkelijk aanplantte, ik verwacht dat deze volgend jaar ook veel beter gaat bloeien. Als ik hem kan overhouden…

Lespedeza bicolor

Eigenlijk is de zoektocht naar een plant soms leuker dan het effectief vinden van de plant. Toen ik deze plant aankocht, was ik al een tijdje op zoek naar de Lespedeza thunbergii (bijna een jaar). Hij stond wel in de catalogus van een aantal plantenkwekerijen, maar hij was nergens beschikbaar.

Toen ik hem dan uiteindelijk aantrof, stond er nog een andere soort. Lespedeza bicolor. Die stond al in bloei, in kleuren die ik echt heel mooi vond. De plant stond ook overladen vol met bloemknoppen. En de plant zou wat steviger groeien en wat minder groot worden…

Ik besloot dus om dus voor een exemplaar van die laatste te gaan, en dus toch niet de plant te kopen waar ik al zo lang naar op zoek was.De plant hoort thuis in de familie van de Fabacea (vlinderbloemigen) en is afkomstig uit Azië. Hij wordt tot nu toe vooral bezocht door hommels, en gaat duidelijk nog even doorgaan met bloemen.

Overschot

Ondertussen is heel wat stekgoed aangeplant. Bij de laatste wijzigingen in de tuin heb ik twee redelijk grote ‘blokken’ Salvia candelabrum en Scutellaria tournefortii aangeplant. Dat was redelijk jong plantgoed dat ondertussen wel flink gegroeid is, maar waarbij er het eerste jaar toch wel wat extra risico is op vorstschade. De plantjes op de foto hierboven blijven dus nog enkele maanden op de reservebank zitten, om zo planten die het niet halen te vervangen. Indien ze volgend jaar niet kunnen ‘invallen’ kan ik er enkele tuinvrienden blij mee maken.

Op enkele planten na de ik nog wat probeer te vermeerderen via zaad, is het vermeerderen nu wel voorbij. Ik heb wel nog enkele stekken ‘geoogst’ van enkele planten om die met zekerheid te doen overwinteren.

Ik had hier enkele weken geleden verteld over de planten die ik vlak voor de hittegolf in augustus verplant heb. Zoals je op de foto hieronder kan zien hebben die het zonder problemen gered (op de foto zie je nu wel maar één van de verplaatste planten…).

En nog een update, de rolklaver in pot is nu flink aan ’t groeien, ik had aangegeven dat rolklaver ook een waardplant was van heel wat vlinders, en deze rups van de kleine hageheld vertoeft doet zich nu te goed aan het blad van de plant en bewijst zo mijn gelijk.

Lepechinia hastata

Deze stond helemaal bovenaan mijn aankooplijst toen ik de eerste keer naar de Hessenhof reed. Toen ik de plant niet vond in het aangegeven plantenbed (minstens 3x alle planten in dat bed gecontroleerd), heb ik ook de bedden ernaast nog geïnspecteerd. Toen nog twee andere bezoekers van de kwekerij me aanspraken of ik die plant niet had gezien, wist ik dat verder zoeken geen zin meer had.

Bij mijn tweede bezoek had ik meer geluk, en nam ik twee exemplaren mee. De plant wordt op zich vrij fors (120 cm). Hij heeft mooie, grijsgroene, brede bladeren en een aparte bloemkleur (aubergine).

Wanneer de eerste bloemen verschijnen (foto’s hierboven, einde juli-begin augustus), lijkt de bloei zeer bescheiden. Maar uit okselscheuten van de bloemknoppen komen steeds weer nieuwe bloemen te voorschijn, zodat de bloemaar steeds groter en breder wordt.

De bladeren van de plant hebben een eigenaardige geur, die ik niet direct kan thuis brengen maar die volgens velen wat weg heeft van schoensmeer.

Lepechinia behoort tot het genus Lamiaceae, de lipbloemigen, net zoals de nauwverwante Salvia. Deze plant komt oorspronkelijk uit California, maar zou toch redelijk winterhard zijn en alleen wat moeten afgedekt worden in zeer strenge winters.

Ik heb eigenlijk behoorlijk lang gedacht dat deze het niet zou doen in de tuin. De plant is pas vrij laat beginnen groeien. Maar van dan af ging het echt heel snel.

Versleten

Deze gehakkelde aurelia is wat extra verhakkeld. Ik zie dit soort gehavende vlinders wel vaker, het zijn beestjes die wat langer hebben geleefd dan de gemiddelde vlinder, maar deze is waarschijnlijk echt wel aan ’t einde van zijn loopbaan nu. Ooit heeft hij/zag hij eruit zoals de exemplaren hieronder.

De wetenschappelijke naam van deze vlinder is Polygonia c-album, en in ’t Engels noemen ze deze de comma, op de foto hieronder is die witte C / komma duidelijk zichtbaar.