Ondertussen wonen we al 5,5 jaar in de Fruitberg. 4 jaar geleden startte ik met de aanleg van de nectartuin. Het plan voor de tuin was toen al een jaar ‘klaar’.
Dat plan is ondertussen toch flink bijgestuurd. Ten eerste omdat deze plek tot dan een parking vol kiezel was, waardoor ik geen flauw idee had van de vochtigheid van de grond. De fruitberg ligt op een helling en dus ging ik er verkeerdelijk vanuit dat mijn tuin eerder droog zou zijn.
Een deel van de nectartuin is in de winter doornat. Dat stukje tuin spitte ik na de eerste winter 2 spades diep om, in de hoop een ondoordringbare laag open te breken, maar dat zette geen zoden aan de dijk. Het bijsturen van mijn plan was dus noodzakelijk, maar ik maakte van die nood ook een deugd, want zo had ik meteen een ideaal plekje voor een boswilg (salix caprea) en een reeks andere vochtminnende planten.
Daarnaast stuur ik ook bij uit andere overwegingen, blauwe borders die niet blauw genoeg zijn, planten die te makkelijk ziek worden, plantenkwekerijen die heel slordig zijn in hun plantenomschrijvingen wanneer blijkt dat een plant dubbel zo hoog wordt als aangegeven in de omschrijving of ook nog, één of andere gekke ingeving waarbij ik planten kocht op een plantenbeurs waarvoor ik eigenlijk geen plaats meer had,…..
Hoor je me nu klagen? Neen hoor! Dat aanpassen en bijsturen is één van de echte geneugten van het tuinieren. Wanneer ik écht tevreden zou zijn over de hele tuin, vraag ik me zelfs af of ik me nog zou interesseren in ’t tuinieren. Dan zou alles gedaan zijn….
Nu de dagen korten in ijltempo is het bedenken van nieuwe plannen, het uitzoeken van catalogi van verschillende plantenkwekers, het googlen om nog meer informatie over de winterhardheid, standplaats en groeikracht van een nieuwe plant op te zoeken,… een bijna verslavende bezigheid. Doorheen de winter veranderen tot vaak een kwart van de planten in de tuin virtueel van plaats. Wanneer de plannen echt vorm krijgen, neemt de rede het enigzins over van de waanzin, en zijn de ingrepen eerder cosmetisch (ahum).
En dus kan ik een hele avond twijfelen of ik nu een Asclepias incarnata of toch een Strobilanthes zou aanplanten op het plekje waar de Delphiniums voor ’t zoveelste jaar op rij werden opgepeuzeld door familie slak. Of zou ik toch nog één keer Delphiniums aanplanten?
In het huidige lijstje van nieuwe planten zitten er opnieuw planten die ik nog nooit zag. Veel van die mij totaal onbekende planten, soms aangekocht op goed geluk, blijken achteraf uitstekende planten, waarvan je jezelf afvraagt waarom ze niet overal courant verkrijgbaar zijn. En indien de planten toch tegenvallen, is ingrijpen niet direct een groot probleem. Op mijn composthoop is plaats genoeg voor underperformers.
Deze winter wil ik ook nog een structurele beslissing nemen, waarover ik nu al twee jaar twijfel: de aanleg van een poel (ten koste van een stukje bloemenweide) en de aanleg van een moestuin (in verhoogde bakken, achteraan in de tuin, gebruik makend van de grond, uitgegraven voor de vijver).
Maar ik twijfel nog steeds aan dat moestuinverhaal. Erg veel plaats heb ik niet voor die moestuin, en de plek waar ik ooit een serre voorzag is ondertussen al lang ingenomen. Bovendien ontbreekt mij de discipline en de tijd om te moestuiniern volgens mij. Een velt-lid die geen moestuin heeft, ik vermoed dat ik een unicum ben, op Ludo van de
Muggenbeet na, die verder net als mij in een eeuwigdurende roes van tuinheraanleg leeft, voorwaar geen slechts gezelschap.
Daarom ben ik steeds meer geneigd om een Morus nigra aan te planten (zwarte moerbei) in dat stukje tuin, en het gras tuin verder te laten verwilderen tot een tweede bloemenweide.
Begin volgend voorjaar hak ik de knoop door! Misschien heb ik tegen dan nog een andere ingeving. Maar nu ga ik nog wat verder plannen.